Box­er in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈbɔk·səɾ/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Box·er
Plural: Box­ers m de Box­er
[1]
perifere woordenschat
Nedersaksisch:
Sportler bi’t Boxen
Nederlands:
Engels:
Duits:

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: boxen + -er