Ver­eens­kass in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈfəɾˌɛːns·kas/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Ver·eens·kass
Plural: Ver­eens­kas­sen f de Ver­eens­kass
[1]
perifere woordenschat
Nedersaksisch:
Nederlands:
Engels:
Duits:
Examples:
De Vereenskass is goot füllt.

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: Vereen + Kass