Im­men­volk in het Nedersaksisch

Uitspraak in het Plat: /ˈɪm̩ˌfɔlk/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Im·men·volk
Pluralis: Immenvölker n dat Im­men­volk
[1]
perifere woordenschat
Nedersaksisch:
Nederlands:
Engels:
Duits:
Voorbeelden:
De Imker hett dree Immenvölker opstellt.

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: Imm + Volk