Watt­fi­scher in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈvatˌfɪ·ʃɐ/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Watt·fi·scher
Plural: Watt­fi­schers m de Watt­fi­scher
[1]
perifere woordenschat
Nederlands:
Duits:

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: Watt + Fischer