Pult­dack in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈpʊltˌdak/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Pult·dack
Plural: Pult­dä­cker n dat Pult­dack
[1]
perifere woordenschat
Nedersaksisch:
Nederlands:
Duits:

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: Pult + Dack