Da­ck in het Nedersaksisch

Plural: Dä­cker n dat Da­ck
Beeld, dat de onderbeduiding illustreerd
Ildar Sagdejev (Specious), CC BY-SA 3.0
[1]
geavanceerde woordenschat
actief
Nedersaksisch:
Engels:
Duits:
=
Dach
Examples:
[1] Dat Dack is mit Dackpannen deckt.
[2]
perifere woordenschat
actief
Nedersaksisch:
Duits: