Kopp­uul in het Nedersaksisch

Uitspraak in het Plat: /ˈkɔp·uːl/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Kopp·uul
Pluralis: Koppulen f de Kopp­uul
[1]
perifere woordenschat
Nedersaksisch:
Duits:
Voorbeelden:

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: Kopp + Uul