ach­ter­tü­cksch in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈax·tɐ·tʏkʃ/
bijvoegelijk naamwoord
Afbreking: ach·ter·tücksch
achtertückscher achtertükschst
[1]
geavanceerde woordenschat

Etymologie:

Woord afleidt van: achter