Jun­g­dom in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈjʊŋ·dɔu̯m/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Jung·dom
Niet gebruikt het pluralis n dat Jun­g­dom
[1]
perifere woordenschat
Nedersaksisch:
Duits:

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: jung + -dom