Semp­koorn in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈsɛmpˌkɔu̯ɾn/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Semp·koorn
Plural: Semp­köörn n dat Semp­koorn
[1]
perifere woordenschat
Nedersaksisch:
Nederlands:
Engels:
Duits:

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: Semp + Koorn