In­wand in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈɪn·vant/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: In·wand
Plural: In­wänn m de In­wand
[1]
geavanceerde woordenschat
Nedersaksisch:
Nederlands:
Engels:
Duits:

Etymologie:

Woord afleidt van: in