Af­gang in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈafˌɡank/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Af·gang
Plural: Af­gäng m de Af­gang
[1]
geavanceerde woordenschat
Nedersaksisch:
Duits:
[2]
geavanceerde woordenschat
Nedersaksisch:
Nederlands:
Duits:
Examples:
Dor weer keen Afgang bi.

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: af- + Gang