Kin­ner­spraak in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈkɪ·nɐˌspɾɔːˑk/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Kin·ner·spraak
Plural: Kin­ner­spra­ken f de Kin­ner­spraak
[1]
perifere woordenschat
Examples:
Miene Kinnerspraak weer Plattdüütsch.

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: Kind + Spraak