An­schott in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈanˌʃɔt/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: An·schott
Niet gebruikt het pluralis m de An­schott
[1]
perifere woordenschat
Nedersaksisch:

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: an + Schott