Land in het Nedersaksisch

Plural: Lan­nen n dat Land
Plural: Län­ner n dat Land
[1]
basiswoordenschat
actief
Nedersaksisch:
Nederlands:
=
land
Engels:
=
land
Duits:
=
Land
[2]
geavanceerde woordenschat
actief
Nedersaksisch:
Engels:
Duits:
=
Land
[3]
geavanceerde woordenschat
actief
Nedersaksisch:
Gegensatz von Stadt
Duits:
=
Land
[4]
geavanceerde woordenschat
actief
Nedersaksisch:
Examples:
[1] Se hebbt dat Moor dröögleggt un dor Land von maakt.
[5]
geavanceerde woordenschat
actief
Nedersaksisch:
Gegensatz von See
Engels:
=
land
Duits:
=
Land