Flo­men­huut in het Nedersaksisch

Uitspraak in het Plat: /ˈflɔu̯m̩ˌhuːt/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Flo·men·huut
Pluralis: Flomenhüüd f de Flo­men­huut
[1]
perifere woordenschat

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: Flomen + Huut