Ge­spinst in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈɡɛˌspɪnst/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Ge·spinst
Plural: Ge­spins­ter n dat Ge­spinst
[1]
geavanceerde woordenschat
Nedersaksisch:
Nederlands:
Engels:
Duits:

Etymologie:

Woord afleidt van: ge-