El­ler in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈɛ·lɐ/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: El·ler
Plural: El­lern f de El­ler
[1]
geavanceerde woordenschat
naam van en biologische species
Nedersaksisch:
Nederlands:
els
Engels:
Duits: