Uitspraak in het Plat: /jʊŋhaftɪç/
bijvoegelijk naamwoord
Afbreking: jung·haf·tig
junghaftiger junghaftigst
[1]
geavanceerde woordenschat
Nedersaksisch:
Nederlands:
Engels:
Duits:
Voorbeelden:
Du büst doch noch en junghaftigen Keerl!

Etymologie:

Samengesteld woord gevormd door: jung + -haftig