Ur­lau­b in het Nedersaksisch

Uitspraak in het Plat: /ˈuː͡ɐ·laʊ̯p/ 🔊︎
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Ur·lau·b
Plural: Ur­lau­be m de Ur­lau­b
[1]
geavanceerde woordenschat
Nedersaksisch:
Nederlands:
Engels:
Duits:
Examples: