Oog­tähn in het Nedersaksisch

Uitspraak in het Plat: /ˈɔˑu̯çˌtɛːn/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Oog·tähn
Pluralis: Oogtähn m de Oog­tähn
[1]
perifere woordenschat
Nedersaksisch:
Nederlands:
Engels:
Duits:

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: Oog + Tähn