mis­tig in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈmɪs·tɪç/
bijvoegelijk naamwoord
Afbreking: mis·tig
mistiger mistigst
[1]
geavanceerde woordenschat
Nedersaksisch:
Engels:
Duits:
Synonyms:

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: Mist + -ig