In­bre­ker in het Nedersaksisch

Uitspraak in het Plat: /ɪnˈbɾɛː·kɐ/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: In·bre·ker
Pluralis: Inbrekers m de In­bre­ker
[1]
geavanceerde woordenschat
Nedersaksisch:
Nederlands:
Engels:
Duits:
Voorbeelden:
Bi uns in’t Huus weren Inbrekers.

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: inbreken + -er