Afmarsch in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈafˌma͡ɐʃ/ 🔊︎
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Af·marsch
Plural: Afmarsch m de Afmarsch
[1]
geavanceerde woordenschat
actief
Nedersaksisch:
Afreis to en Marsch
Duits:

Etymologie:

Sett sik tohoop ut: af- + Marsch