Kü­per in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈkyː·pɐ/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Kü·per
Plural: Kü­pers m de Kü­per
[1]
perifere woordenschat
Nedersaksisch:
Nederlands:
Engels:
Duits:

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: Küüp + -er