smachtlap­pig in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈsmaxtˌla·pɪç/
bijvoegelijk naamwoord
Afbreking: smacht·lap·pig
smachtlappiger smachtlappigst
[1]
geavanceerde woordenschat
actief
Nedersaksisch:
hungerig
Engels:
Duits:

Etymologie:

Sett sik tohoop ut: Smacht + Lapp + -ig