Ka­chel in het Nedersaksisch

Uitspraak in het Plat: /ˈka·xəl/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Ka·chel
Pluralis: Kacheln f de Ka­chel
[1]
geavanceerde woordenschat
Nedersaksisch:
Nederlands:
Engels:
Duits:
[2]
geavanceerde woordenschat
Nedersaksisch:
Nederlands:
Engels:
Duits: