Sün­nen­kind in het Nedersaksisch

Uitspraak in het Plat: /ˈzʏn̩ˌkɪnt/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Sün·nen·kind
Pluralis: Sünnenkinner n dat Sün­nen­kind
[1]
geavanceerde woordenschat
biologische species
Voorbeelden:
Dor flüggt en Sünnenkind!

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: Sünn + Kind