Fa­miel­je in het Nedersaksisch

Uitspraak: /faˈmiːl·jɛ/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Fa·miel·je
Plural: Fa­miel­jen f de Fa­miel­je
Plural: Fa­miel­en f de Fa­miel­je
Beeld, dat de onderbeduiding illustreerd
Thomas Frederick Martinez, CC BY 2.0
[1]
geavanceerde woordenschat
actief
Nedersaksisch:
Grupp von de neegsten Verwandten
Nederlands:
Engels:
=
family
Duits: