rup­pig in het Nedersaksisch

Uitspraak in het Plat: /ˈɾʊ·pɪç/
bijvoegelijk naamwoord
Afbreking: rup·pig
ruppiger ruppigst
[1]
geavanceerde woordenschat
Nedersaksisch:
Nederlands:
Engels:
Duits:
Voorbeelden:

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: ruppen + -ig