kuur­loos in het Nedersaksisch

Uitspraak in het Plat: /ˈkuː͡ɐˌlɔu̯s/
bijvoegelijk naamwoord
Afbreking: kuur·loos
kuurloser kuurloosst
[1]
perifere woordenschat
Nedersaksisch:
Duits:

Etymologie:

Woord afleidt van: -loos