Feh­ler in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈfɛː·lɐ/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Feh·ler
Plural: Feh­lers m de Feh­ler
[1]
geavanceerde woordenschat
Nedersaksisch:
Nederlands:
Engels:
Duits:
=
Fehler
Examples:
Ik heff en groten Fehler maakt.

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: fehlen + -er