Dopp­heid in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈdɔpˌhaˑɪ̯/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Dopp·heid
f de Dopp­heid
[1]
geavanceerde woordenschat
naam van en biologische species
Nedersaksisch:
Nederlands:
=
dophei
Duits:
[2]
perifere woordenschat
naam van en biologische species

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: Dopp + Heid