Litt­han­sch in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈlɪtˌhanʃ/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Litt·hansch
Plural: Litt­han­schen m de Litt­han­sch

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: Litt + Hansch