Spinn­rad in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈspɪnˌɾat/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Spinn·rad
Plural: Spinn­rä­der n dat Spinn­rad Westfälisch, Märkisch
Plural: Spinn­rääd n dat Spinn­rad Mecklenburgisch
[1]
geavanceerde woordenschat
Nedersaksisch:
Nederlands:
Engels:
Duits:

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: spinnen + Rad