Klau­es­buur in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈklaʊ̯·ɛsˌbuː͡ɐ/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Klau·es·buur
Plural: Klau­es­buurn m de Klau­es­buur
[1]
perifere woordenschat
Nedersaksisch:
Duits:

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: Klaues + Buur