Quin­tenma­ker in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈkvɪntn̩ˌmɔː·kɐ/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Quin·ten·ma·ker
Plural: Quin­tenma­kers m de Quin­tenma­ker
[1]
geavanceerde woordenschat
actief
Nedersaksisch:
een, de annere narren will
Nederlands:
Engels:
Duits:

Etymologie:

Sett sik tohoop ut: Quint + Maker