Pottap­pel in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈpɔtˌa·pəl/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Pott·ap·pel
Plural: Pottäp­pel m de Pottap­pel
[1]
geavanceerde woordenschat
actief
Nedersaksisch:
Duits:

Etymologie:

Sett sik tohoop ut: Pott + Appel