Lie­ken­de­ler in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈliːkn̩ˌdɛː·lɐ/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Lie·ken·de·ler
Plural: Lie­ken­de­lers m de Lie­ken­de­ler
[1]
geavanceerde woordenschat
Nedersaksisch:
Engels:
Duits:
[2]
geavanceerde woordenschat
Duits:

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: liek + delen + -er