Eerd­kru­per in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈɛː͡ɐtˌkɾuː·pɐ/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Eerd·kru·per
Plural: Eerd­kru­pers m de Eerd­kru­per
[1]
perifere woordenschat
naam van en biologische species
Nedersaksisch:
Nederlands:
Engels:
Duits:
Examples:

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: Eer + krupen + -er