Maand­geld in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈmɔːntˌɡɛlt/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Maand·geld
Plural: Maand­gel­ler n dat Maand­geld
[1]
geavanceerde woordenschat
Nedersaksisch:
Nederlands:
Duits:

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: Maand + Geld