Liem­pott in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈliːmˌpɔt/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Liem·pott
Plural: Liem­pött m de Liem­pott
[1]
geavanceerde woordenschat
Nedersaksisch:
Nederlands:
Duits:

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: Liem + Pott