Knapp­büss in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈknapˌbʏs/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Knapp·büss
Plural: Knapp­büs­sen f de Knapp­büss
[1]
perifere woordenschat
Nedersaksisch:
Duits:

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: knappen + Büss