Half­süs­ter in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈhalfˌzʏs·tɐ/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Half·süs·ter
Plural: Half­süs­tern f de Half­süs­ter
Plural: Half­süs­ters f de Half­süs­ter
[1]
geavanceerde woordenschat
Nedersaksisch:
Nederlands:
Engels:
Duits:

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: half + Süster