Siel­kuhl in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈziːlˌkuːl/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Siel·kuhl
Plural: Siel­kuh­len f de Siel­kuhl
[1]
perifere woordenschat
Nedersaksisch:
Duits:

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: Siel + Kuhl