Sielacht in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈziːlˌaxt/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Siel·acht
Plural: Sielach­ten f de Sielacht
[1]
perifere woordenschat
actief
Nedersaksisch:
Verband, de för de Entwässerung tostännig is
Duits:
Sielacht

Etymologie:

Sett sik tohoop ut: Siel + achten