Katt­rull in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈkatˌɾʊl/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Katt·rull
Plural: Katt­rul­len f de Katt­rull
[1]
perifere woordenschat
Nederlands:
Duits:

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: Katt + Rull