Butt­am­mer in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈbʊtˌa·mɐ/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Butt·am·mer
Plural: Butt­am­mers m de Butt­am­mer
[1]
perifere woordenschat
Nedersaksisch:

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: butt + Ammer