See­fi­scher in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈzɛːˌfɪ·ʃɐ/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: See·fi·scher
Plural: See­fi­schers m de See­fi­scher
[1]
geavanceerde woordenschat
Nedersaksisch:
Duits:

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: See + Fischer