Slaap­diek in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈslɔːpˌdiːk/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Slaap·diek
Plural: Slaap­die­ken m de Slaap­diek
[1]
geavanceerde woordenschat
Nedersaksisch:
Nederlands:
Engels:
Duits:

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: slapen + Diek